Logo Loading

Virtual Reality Exposure Therapie

Moovd geeft je nieuwe inzichten

Virtual Reality Exposure Therapie (VRET)

Virtual reality exposure therapie (VRET)Virtual reality Exposure Therapie (VRET) is een innovatief middel die ervoor kan zorgen dat behandelingen van onder andere angststoornissen, waaronder PTSS, efficiënter en effectiever worden. Met Virtual Reality Exposure Therapie mensen door middel van virtual reality blootgesteld aan een angstige situatie, in plaats van in werkelijkheid.

Het doel van VRET is mensen op een gecontroleerde manier aan een angstige situatie bloot te stellen. Door dit gecontroleerd en gefaseerd te doen in de gevreesde situatie ervaart de behandelende dat de gevreesde catastrofe helemaal niet optreedt.

VRET heeft een aantal voordelen:

  1. Tijdsbesparing en privacy: de cliënt en de behandelaar hoeven de behandelkamer niet te verlaten om beangstigende situaties op te zoeken;
  2. Een aantal mensen ervaart zo’n grote angst voor een bepaalde situatie, dat men niet aan exposure in vivo durft te beginnen. Door het virtuele karakter kan virtual reality exposure therapie voor een cliënt laagdrempeliger zijn dan traditionele vormen van therapie. Cliënten vinden het over het algemeen minder eng om te oefenen in een virtuele wereld (een virtuele brandtrap) dan op een brandtrap in de werkelijkheid. VR kan mensen motiveren hulp voor hun fobie te zoeken: cliënten blijken eerder bereid exposure virtueel te ondergaan dan in vivo;
  3. Ook al is een gepresenteerde situatie virtueel, de meeste cliënten leven zich zeer goed in deze situatie in. Hierdoor wordt de angst effectief opgeroepen;
  4. De therapeut heeft meer controle over de exposure, doordat hij – wanneer dat nodig is-kleinere stappen kan inbouwen of stappen kan herhalen;
  5. De situatie kan tijdens de behandeling aangepast worden, bijvoorbeeld eerst trainen met openbaar vervoer met weinig mensen en dit verder op te bouwen naar meer mensen.

Behandeling PTSS
Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is een lange, heftige stressreactie op een schokkende gebeurtenis (trauma). PTSS ontstaat wanneer er ten gevolge van een trauma sprake is van negatieve cognities over de wereld of zichzelf, bijvoorbeeld: ‘niemand is te vertrouwen’ of ‘het was mijn schuld’. Daarnaast is er bij PTSS sprake van een verstoord autobiografisch geheugen. Het trauma is niet goed geïntegreerd in de context van het autobiografisch geheugen. Ongewenste herinneringen worden daardoor (te) snel uitgelokt door zintuigen.

Cliënten met PTSS vermijden doorgaans om aan het trauma terug te denken. Ook vermijden ze mensen, plaatsen of voorwerpen die hen aan het trauma doen terugdenken. Veel cliënten vrezen dat ze over zichzelf de controle verliezen als ze terugdenken aan het trauma. Of dat ze door de herinneringen overspoeld zullen raken door angst. Of dat ze weer in gevaar zijn.

Exposuretherapie wordt op basis van wetenschappelijke bevindingen beschouwd als de psychologische behandeling van eerste voorkeur voor de behandeling van angststoornissen, inclusief PTSS. Zowel in internationale als in nationale multidisciplinaire richtlijnen. Dankzij deze vorm van cognitieve gedragstherapie (CGT) is significante klachtreductie mogelijk gebleken bij syndromen die eerder onbehandelbaar leken, zoals de obsessieve-compulsieve stoornis. Exposuretherapie voor angststoornissen wordt meer dan eens genoemd als een van de succesverhalen van de klinische psychologie en psychiatrie.

Bij exposure is het van belang om het geheugen te activeren. De behandeling heeft als doel om pathologische elementen van het geheugen te corrigeren die ten grondslag liggen aan de angstsensaties. Exposure is zo effectief omdat het een heel indringende manier is om dreigverwachtingen te ontkrachten en de associatie tussen de negatieve stimuli en veilige uitkomsten in het geheugen te versterken.

Het nadeel van de huidige behandelmethode van angststoornissen (exposure in vivo), is dat een cliënt voor exposure op zoek moet gaan naar een juiste prikkel in de praktijk. Het kan een behoorlijke uitdaging om op zoek te gaan naar deze prikkel. Niet alleen is het tijdrovend, het komt ook wel voor dat de juiste prikkel niet gevonden wordt en je als behandelaar moet improviseren. Niet de meest effectieve en efficiënte manier.

VRET
Virtual Reality Exposure Therapie (VRET) is als interventie even effectief als exposure in vivo. Het verschil tussen VRET en de huidige behandelmethode is dat cliënten door middel van een virtueel scenario worden blootgesteld aan een trauma of angstige situatie, in plaats van in werkelijkheid. Virtual reality is een innovatie die ervoor kan zorgen dat de gewenste prikkel snel en in de eigen behandelkamer gevonden kan worden. Ook kan een prikkel gefaseerd worden aangebracht, in verschillende gradaties of door een scenario te pauzeren.

Het doel van VRET is cliënten op een zodanig gecontroleerde manier aan de traumatische situatie bloot te stellen dat ze net zo lang in de gevreesde situatie durven te blijven tot ze er ervaren dat de gevreesde catastrofe helemaal niet optreedt.

Benieuwd hoe onze app eruitziet, hoe VRET er in de praktijk uitziet en/of we wat voor elkaar kunnen betekenen? Neem dan contact met ons op om een demo in te plannen.

Referenties
Bögels, S. (2009). Leerboek psychotherapie. Utrecht: De Tijdstroom.
Craske, M. L. (2012). Ther role of inhibition in exposure therapy. Journal of Expiremental Psychotherapy, 322-345.
Craske, M. T. (2014). Maximizing exposure therapy: An inhibitory learning approach. Behabiour Reserch and therapy, 58.
Dancu, C. F. (1992). Posttraumatic stress disorder. In A. D. Freeman, Comprehensive casebook of cognitive therapy (pp. 79-88). New York: Plenum Press.
Emmelkamp, P. M. (2011). Virtual Reality Exposure Therapie. Psychopraktijk, uitgave 1.
Keijsers, G. v. (2017). Protocollaire behandelingen voor volwassenen met psychische klachten. Amsterdam: Boom uitgevers.
Page, S. C. (2016). Virtual reality exposure therapy for anxiety disorders: Small samples and no controls? Frontiers in Psychology 7, 1-4.
Pot-Kolder, R. Z. (2015). Virtual Reality Exposure Therapie bij psychose: een casus. Directieve therapie, 5-14.
van der heiden, C. (2017). Over de behandeling van angst: doen we de goede dingen en doen we de goede dingen goed? Directieve therapie, 5-20.
Van meggelen, e. a. (2014). A pilot study on the usefulness of virtual reality exposure therapy for survivors of childhood sexual abuse. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam.

Related Posts